H1 Gedrag

20-11-2013 20:26

Biologie samenvatting H1 Gedrag

 

  1. Dierenwelzijn

 

Gedrag: alles wat dieren of mensen doen of laten. Gedrag is een aanpassing aan leefomstandigheden.

Inwendige prikkel: prikkels van binnenuit: hormonen, honger, dorst.

Uitwendige prikkel: prikkel van buitenaf: bewegingen, geur, geluiden.

Motiverende factoren: in- en uitwendige prikkels samen tot het ontstaan van gedrag: hormonen en het zien, horen, ruiken van de beer.

Drempelwaarde: de hoogte van de motivatie die nodig is om tot een bepaald gedrag over te gaan.

Gedragseenheden: de verschillende aparte handelingen (eten afbijten, kauwen, doorslikken)

Gedragsketen: een vaste volgorde van gedragseenheden.

Gedragssysteem: een aantal samenhangende gedragsketens, vormen samen het gedrag.

Functie van gedrag: overleven van het individu (eten), overleven van de soort (voortplanten)

 

    1. Gedrag bestuderen

 

Objectief: diergedrag onderzoeken door observeren, tellen en meten, zonder oordeel vooraf.

Input: prikkels die een dier ontvangt.

Output: welk gedrag er vervolgens optreedt.

Antropomorf: subjectieve, menselijke benadering, zoals in sprookjes.

Ethologie: tak van de wetenschap die onderzoek doet naar diergedrag.

Sleutelprikkel: prikkel die steeds hetzelfde gedrag oproept.

Supernormale prikkel: prikkel die nog sterker gedrag oproept dan de sleutelprikkel.

Gevoelige periode: korte periode waarin ganzenkuikens het moederbeeld aanleren.

Inprenting: iets wat je leert in de gevoelige periode, aangeboren voorprogrammering aanwezig.

 

1.3 Communicatie en gedrag

 

Signalen: prikkels waarmee dieren het gedrag van soortgenoten willen beïnvloeden.

Rituelen: bestaan uit een serie gedragseenheden die van tevoren vaststaan.

Rituelen bij dieren zijn belangrijk bij ontmoetingen van soortgenoten.Zijn ze vriend of vijand?

Balts: ritueel gedrag dat leidt tot paringsgedrag.

Conflictgedrag: overspronggedrag, ambivalent gedrag, omgericht gedrag, innerlijk conflict tussen twee gedragssystemen.

Overspronggedrag: gedrag dat niet bij de situatie past: krabben op je hoofd als je het niet weet

Ambivalent gedrag: gedrag dat elementen van twee tegengestelde gedragssystemen afwisselt.

Omgericht gedrag: agressiviteit op iets anders richten, dan waar je boos op bent: op tafel slaan als je boos bent op iemand, deur hard dichtgooien.

Misverstanden in communicatie: verkeerd interpreteren van een signaal, ruis uit de omgeving.

 

 

 

 

 

 

 

    1. Aangeboren of aangeleerd

 

Aangeboren: gedrag is al bij de geboorte aanwezig en hoeft niet geleerd te worden.

Aangeleerd: gedrag ontwikkelt zich door een leerproces (gewenning)

Gewenning: het niet meer reageren op een prikkel: vogelverschrikker.

Aangeboren en aangeleerd: vogelzang. Zangpatroon aangeboren, verder geleerd door imitatie.

Imitatie: anderen nadoen om het zo te leren.

Sociaal gedrag: leren door spelen, leren omgaan met groepsgenoten.

Rangorde: leren door spelen, de volgorde waarin dieren meer of minder dominant zijn.

Associatief leren: leren door associëren, een toevallige prikkel koppelen aan een andere prikkel: poes die het opengaande kastje met bordjes koppelt aan eten krijgen.

Klassieke conditionering: leren door associëren, leggen van verbanden tussen twee verschillende prikkels: schoolbel leidt tot ‘eindelesgedrag’.

Trail-and-error: leren door combineren, proberen en erachter komen dat iets niet kan/lukt.

Operante conditionering: leren door combineren, dieren krijgen een beloning of straf voor hun handelingen. Door een beloning leert een dier het gewenste gedrag aan.

 

    1. Gedrag van primaten

 

Door het imiteren van Iono, een Japanse makaak, verandert de cultuur van de hele groep.

Cultuur: het verschijnsel dat individuen binnen een groep vergelijkbaar verdrag vertonen.

Voorwaarden voor het ontstaan van een cultuur: leren door imiteren en in groepen leven.

Leren door inzicht: mensen en dieren leggen nieuwe verbanden tussen gebeurtenissen of situaties: graankorrels op water blijven drijven: voedsel wassen.

Inlevingsvermogen stelt mensen en dieren in staat om samen te werken en sociaal gedrag te vertonen.